Een nieuw medicijn voor Duchenne
Van laboratorium tot mens
Voordat een nieuw medicijn voor Duchenne spierdystrofie bij patiënten getest kan worden, doorloopt het een lang en zorgvuldig onderzoeksproces. Onderzoekers testen mogelijke behandelingen eerst uitgebreid in het laboratorium en in modelsystemen. Alleen de meest veelbelovende therapieën gaan uiteindelijk door naar klinische studies met patiënten.
Dit proces kan vele jaren duren. Veel kandidaatgeneesmiddelen blijken in een vroeg stadium niet effectief genoeg of niet veilig en worden daarom niet verder ontwikkeld.
Tijdlijn van medicijnontwikkeling
Van ontdekking tot goedgekeurd medicijn
De ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel duurt gemiddeld 10 tot 15 jaar. In dit proces worden duizenden mogelijke stoffen onderzocht, maar uiteindelijk wordt meestal slechts één medicijn goedgekeurd.
Afbeelding ‘Tijdlijn van medicijnonderzoek’ pending
Onderzoek en ontdekking (3–5 jaar)
Wetenschappers onderzoeken 5.000–10.000 mogelijke stoffen die effect kunnen hebben op de ziekte.
Preklinisch onderzoek (1–2 jaar)
De meest veelbelovende middelen worden getest in cel- en diermodellen. Ongeveer 250 middelen gaan door naar deze fase.
Klinisch onderzoek (ongeveer 7 jaar)
Een klein aantal middelen wordt getest in klinische studies met patiënten om veiligheid en effectiviteit te onderzoeken. Ongeveer 5 middelen bereiken deze fase.
Beoordeling en registratie (ongeveer 1,5 jaar)
Regelgevende instanties, zoals het Europees Geneesmiddelenbureau, beoordelen het medicijn. Uiteindelijk wordt gemiddeld één middel goedgekeurd.
Ook na goedkeuring blijft onderzoek doorgaan om de lange termijn veiligheid en werking te monitoren.
Fases van medicijnontwikkeling
Van ontdekking tot medicijn
Voordat een behandeling bij patiënten getest mag worden, moet eerst worden aangetoond dat deze veilig en werkzaam kan zijn. Daarom doorloopt een nieuwe therapie verschillende stappen.
-
Ontdekking van een kandidaatgeneesmiddel
-
Testen in celmodellen
-
Testen in diermodellen
-
Klinisch onderzoek bij mensen
Elke stap levert belangrijke informatie op. Toch betekent succes in een vroege fase niet automatisch dat een behandeling ook bij patiënten zal werken.
1: Ontdekking van een kandidaatgeneesmiddel
Identificatie van mogelijke behandelingen
Wanneer onderzoekers een mogelijke behandeling hebben gevonden, wordt deze uitgebreid onderzocht. Daarbij kijken wetenschappers onder andere naar de zogenaamde ADME-eigenschappen van het middel:
-
Absorptie – hoe het medicijn in het lichaam wordt opgenomen
-
Distributie – naar welke organen het medicijn wordt verspreid
-
Metabolisme – hoe het medicijn in het lichaam wordt afgebroken
-
Eliminatie – hoe het medicijn het lichaam weer verlaat
Soms wordt ook gekeken naar toxiciteit, oftewel mogelijke schadelijke effecten van de stof.
2: Testen in celmodellen
Onderzoek in het laboratorium
De eerste tests vinden meestal plaats in celmodellen. Dit wordt ook wel in vitro onderzoek genoemd. Bij Duchenne gebruiken onderzoekers vaak spiercellen in het laboratorium om te onderzoeken of een nieuwe behandeling:
-
het gewenste effect op moleculair niveau heeft
-
de productie van belangrijke eiwitten beïnvloedt
-
veilig is voor cellen
Deze experimenten maken het mogelijk om relatief snel veel stoffen te testen. Echter, cellen in een laboratorium geven slechts een vereenvoudigde weergave van het menselijk lichaam, waarin verschillende weefsels en organen samenwerken.
3: Testen in diermodellen
Onderzoek in dieren
Na succesvolle laboratoriumtests wordt een mogelijke behandeling getest in diermodellen. Dit wordt in vivo onderzoek genoemd.
Diermodellen helpen onderzoekers om te begrijpen:
-
hoe een medicijn zich in het lichaam gedraagt
-
welke dosis nodig is
-
of er bijwerkingen optreden
Hoewel diermodellen veel informatie geven, kan geen enkel model de ziekte bij mensen volledig nabootsen.
Muismodellen
Muizen worden het meest gebruikt in medisch onderzoek. Het bekendste model voor Duchenne is de mdx-muis. Deze muis mist net als Duchenne-patiënten het eiwit dystrofine, dat belangrijk is voor spierfunctie. Wel is het ziektebeeld bij muizen vaak minder ernstig dan bij mensen.
Hondmodellen
Naast muizen worden ook honden gebruikt in Duchenne-onderzoek. Het bekendste model is de Golden Retriever Muscular Dystrophy (GRMD) hond. Dit model lijkt in sommige opzichten meer op Duchenne bij mensen, bijvoorbeeld omdat ook hartproblemen voorkomen.
Andere diermodellen
Naast muizen en honden bestaan er ook andere diermodellen, zoals ratten, varkens, konijnen, zebravissen en fruitvliegen. Elk model helpt onderzoekers om specifieke aspecten van de ziekte beter te begrijpen.
Wetgeving en ethiek bij dieronderzoek
Dieronderzoek is strikt gereguleerd. Regelgevende instanties zoals de EMA (European Medicines Agency), de FDA (Food and Drug Administration) en het CBG (College ter Beoordeling van Geneesmiddelen) stellen eisen aan veiligheidsonderzoek voordat een medicijn bij mensen getest mag worden.
Onderzoekers passen hierbij de 3V-principes toe:
-
Vervanging – waar mogelijk alternatieven voor dierproeven gebruiken
-
Vermindering – zo min mogelijk dieren gebruiken
-
Verfijning – onderzoek zo zorgvuldig mogelijk uitvoeren
4: Klinisch onderzoek bij mensen
Starten van klinische studies
Wanneer een kandidaatgeneesmiddel succesvol door de preklinische fase (cel- en dieronderzoek) komt, kan het worden getest in klinische studies met patiënten.
Tijdens deze studies onderzoeken artsen en onderzoekers onder andere de veiligheid van de behandeling, wat mmogelijke bijwerkingen zijn en ze meten de effectiviteit van het medicijn.
Alleen wanneer een behandeling veilig en effectief blijkt, kan deze uiteindelijk beschikbaar komen voor patiënten.
Lees verder
